De 5 principes van bioveiligheid
Bij het ontwerpen van bioveiligheidsprogramma's zijn er enkele algemene principes die in nagenoeg alle situaties van toepassing zijn.
Bij het ontwerpen van bioveiligheidsprogramma's zijn er enkele algemene principes die in nagenoeg alle situaties van toepassing zijn.
Om de overdracht van ziekten te voorkomen, is het belangrijk om de bronnen van infectie (bijv. dieren, mensen, ongedierte) zoveel mogelijk gescheiden te houden van de vatbare contacten (gezonde dieren). Dit kan worden bereikt door direct contact tussen risicovolle (besmettelijke) en minder risicovolle (vatbare) dieren te voorkomen, evenals indirect contact.
Zelfs met de best mogelijke bioveiligheidsmaatregelen is het niet mogelijk, en waarschijnlijk zelfs niet wenselijk, om dieren onder steriele omstandigheden te houden. Daarom is het belangrijk om goede reinigings- en desinfectieprocedures te hanteren. Op die manier zijn bioveiligheidsmaatregelen erop gericht de infectiedruk te verlagen tot een niveau waarop de natuurlijke immuniteit van de dieren de infecties kan bestrijden.
Sommige transmissieroutes kunnen veel verschillende ziekteverwekkers met grote efficiëntie overdragen (bijvoorbeeld direct contact tussen dieren), terwijl andere transmissieroutes (bijvoorbeeld via de lucht) een lager risico op ziekteoverdracht met zich meebrengen. Daarom is het bij het ontwerpen van bioveiligheidsprogramma's belangrijk om zich eerst te richten op de transmissieroutes met een hoog risico en pas daarna op de transmissieroutes met een lager risico.
Naast de waarschijnlijkheid van overdracht van een ziekteverwekker via de verschillende transmissieroutes, speelt ook de frequentie waarmee een transmissieroute zich voordoet een zeer belangrijke rol. Als een bepaalde transmissieroute (bijvoorbeeld overdracht via de handen van dierenverzorgers) slechts een lage waarschijnlijkheid heeft, maar zich zeer frequent herhaalt (bijvoorbeeld doordat een dierenverzorger de dieren meerdere keren per dag aanraakt zonder voorzorgsmaatregelen), dan is het risico op ziekteoverdracht uiteindelijk toch zeer aanzienlijk.
Hoe groter de groep dieren wordt, hoe belangrijker de bioveiligheidsmaatregelen zullen zijn. In grote groepen dieren zijn er meer dieren die besmet kunnen raken en een infectiecyclus in stand kunnen houden, waardoor de infectiedruk uiteindelijk boven de grens uitkomt die de dieren aankunnen. Bovendien hebben grotere kuddes of koppels vaker contact met de buitenwereld (bijv. dierentransport, voertransport, professioneel bezoek, enz.), wat allemaal een zeker risico op introductie van ziekten met zich meebrengt. Ook kunnen op grotere en/of hoogproductieve bedrijven de hoogproductieve dieren vatbaarder zijn voor ziekten, waardoor de gevolgen van ziekte-introductie ernstiger kunnen zijn dan op kleinere bedrijven.
Het boek "Biosecurity in Animal Production and Veterinary Medicine" bundelt voor het eerst zowel fundamentele aspecten van bioveiligheidspraktijken als specifieke en praktische informatie over de toepassing van bioveiligheidsmaatregelen in verschillende veehouderij- en huisvestingsomgevingen.
Het boek begint met een algemeen inleidend hoofdstuk over de epidemiologie van infectieziekten, gevolgd door een hoofdstuk waarin de algemene principes van bioveiligheid worden uitgelegd. Specifieke onderwerpen op het gebied van bioveiligheid, zoals knaagdier- en insectenbestrijding, reiniging en desinfectie, hygiëne en ontsmetting van voer, drinkwater en lucht, en het meten van de bioveiligheidsstatus van bedrijven, worden in aparte hoofdstukken behandeld. Het is een praktische gids die gebruikt kan worden door managers van veehouderijen en dierenverblijven, adviseurs, dierenartsen, dierenverzorgers en iedereen die geïnteresseerd is in ziektepreventie bij dieren. Ook academici en studenten zullen baat hebben bij dit boek, omdat het alle relevante informatie over bioveiligheid bij dieren bevat.
Interesse in dit boek? Een herziene editie is in ontwikkeling.
Neem contact met ons op voor updates over de beschikbaarheid